GRAMMATICA © 1988 - Erik Brey / Erik Brey - all rights reserved. 'Hij is dood' dat kan niet. Hij is ongelukkig, hij is rijk, of is failliet, Maar 'hij is dood'? Wat is hij dan? Hij is wel of hij is niet. Ik vind niet dat dat samengaat. Zo vraagt de Taal zich blijkbaar af of 'dood' dan wel bestaat. 'Jij doodt hem' dus met dt, dat geeft mij geen problemen. Maar dan zeg jij weer 'hij is dood' en dat kan dus weer niet. 'Hij gaat dood' dat kan nog, dan 'is' hij nog niet dood, Of 'hij wil dood', kan allemaal, maar 'hij is dood', Ja, 'hij is dood', waar dat nou toch op slaat? Zo leert ons de grammatica dat 'dood' dus niet bestaat. Want 'is' wil zeggen 'zijn' Na 'is' komt altijd 'iets' Als 'hij is dood' geen onzin is Is 'dood-zijn' dus niet 'niets'. 'Hij is er niet', dat kan. Of 'Hij is er niet meer', Dan 'is' hij nog, dan is hij 'er', dus 'er'-gens maar niet hier, Of komt nog terug, of is te laat, Zo leert ons de grammatica dat 'dood' dus niet bestaat.