GEURT © 1993 - tekst: Alfred van den Heuvel En dan had je Geurt en Jaap en Wullem en ouwe Sietske, en die kwamen die dijk af, terwijl de gierkluivers tegen het moerbeslag geschraagd werden, en de jakobsklossen afboerden bij de eerste stormvlaag. En dan gutste de regen de nokgordingen van de kilkeping en dan zei de poortzeiker van het moerbalkhuûske: "Wel heb je ooit! Als dat niet Geurt is, en Jaap, en Wullem, en verrek daar heb je ouwe Sietske ook!" En dan joegen ze ons kinders de pleurisbaan op, en dan werd er gestampstokt en gegaffeld dat de jankdekkers je om de oren vlogen. En dan moest je die knapen eens zien: Geurt met z'n afgetrapte schootsmaleiers, Jaap als de godverdomde duvel zelf, Wullem met z'n zelfgepriemde klotergeien om die magere kop van 'm, en ouwe Sietske, z'n snoeptafel récht tegen de wind in. En dan joegen we de klambouwklinkers tegen de blootliggende knikstagbunkers, we trokken het rifbeslag tegen de raveelkokzuigers, en we renden de dijk af alsof de geile wieven van de Vlotterballen ons tegen de zinkbeprangde jutenkletsers beukten.